Je wilt een nieuwe rol oppakken, een idee inbrengen in een vergadering of feedback geven aan een collega. Maar net voordat je het doet, slaat de twijfel toe. "Kan ik dit eigenlijk wel? Ben ik hier wel goed genoeg voor? Misschien weten anderen het beter." Herkenbaar? Dan ben je niet alleen. Sterker nog: dit gevoel heeft een naam. Self-efficacy, ofwel het vertrouwen in je eigen kunnen, bepaalt vaak meer dan je denkt of je wel of niet in actie komt.

Josje Smeets 1000

 Door Josje Smeets, gelukspsycholoog

Waarom je brein twijfelt 

Je brein is niet alleen lui, zoals ik eerder schreef, het is ook voorzichtig. Het wil je beschermen tegen falen, afwijzing of het gevoel dat je voor gek staat. Dus zodra je iets nieuws of spannends wilt doen, schakelt het een intern alarmsysteem in. "Weet je het zeker? Misschien kun je beter wachten. Misschien ben je hier niet de juiste persoon voor." Dit zijn geen feiten, maar overlevingsmechanismen van je brein. Het probleem is: als je hier te vaak naar luistert, blijf je stilstaan terwijl je eigenlijk wilt groeien.

En dan is er nog het imposter-gevoel. Het idee dat je niet goed genoeg bent, dat je geluk hebt gehad, of dat anderen straks doorhebben dat je het eigenlijk niet kunt. Ik zie dit wekelijks in mijn praktijk: juist de meest competente mensen twijfelen het hardst. Psychologen ontdekten dit fenomeen al in 1978 en sindsdien weten we: het treft vooral mensen die juist wél competent zijn. Hoe beter je bent, hoe vaker je twijfelt of je het wel verdient. Hartstikke onhandig dus.

Self-efficacy groeit niet door nadenken

Gelukkig weten we dit: self-efficacy ontstaat niet door jezelf voor te houden dat je het kunt. Het groeit door ervaring. Psycholoog Albert Bandura ontdekte vier bronnen die je zelfvertrouwen opbouwen. De belangrijkste is het ervaren van kleine successen. Elke keer dat je iets doet en merkt dat het lukt, geef je je brein bewijs. "Kijk, ik kán dit." En dat bewijs is sterker dan duizend peptalks. 

De tweede bron: modelling. Zie je iemand die op jou lijkt iets doen wat jij spannend vindt? Dan denkt je brein: "Als zij het kan, kan ik het misschien ook." De derde bron is sociale steun. Als iemand zegt: "Ik geloof dat jij dit kunt," helpt dat echt. Praat dus regelmatig over je ambities, je zult ervan opkijken hoe dat helpt. En de vierde: je fysiologische staat. Stress verlaagt je self-efficacy. Rust verhoogt het. Dus die kop koffie en dat rondje lopen voor een spannend gesprek? Die helpen echt.

Van twijfel naar actie

Wil je je self-efficacy vergroten? Begin niet met grote stappen, maar met bewijs verzamelen. Kies één ding dat je spannend vindt en maak het zo klein dat je het met 80 procent zekerheid kunt doen. Doe het. Ervaar dat het lukt. Herhaal. Je brein leert niet door erover na te denken, maar door te doen en te merken: het gaat.

En onthoud: twijfel is geen bewijs dat je het niet kunt. Het is bewijs dat je iets nieuws probeert. En dat is precies waar groei begint.

Meer tips over gedragsverandering en werkgeluk? Die vind je op hellobetty.nl. Josje Smeets is gelukspsycholoog, spreker en oprichter van de opleiding: Word geluksambassadeur op het werk.

Misschien vind je dit ook interessant